01/06/2008
Een beginpunt, een eindpunt, in elk geval een keerpunt
Samen met dramaturg Erwin Jans blikt Lotte van den Berg terug op de voorstelling Winterverblijf.
Lotte van den Berg maakte vorig seizoen met Winterverblijf haar eerste voorstelling voor de grote zaal. Voor een deel van het publiek was het geen evidente voorstelling. Ook voor Lotte zelf was het geen makkelijke voorstelling, wel een noodzakelijke. Samen met dramaturg Erwin Jans kijkt zij terug. Ze kijkt ook vooruit. Naar de film die ze in de volgende maanden gaat maken en naar haar vertrek volgend jaar naar een nieuw op te richten theaterstructuur in het Nederlandse Dordrecht waarvan ze de artistieke leiding krijgt.
Ik was onlangs op uitnodiging van het Nederlands Theater Instituut in Zuid-Afrika. Het viel me op dat het theater daar zeer direct is. De tekst is heel belangrijk, vooral de letterlijke tekst, dat wat gezegd wordt, dat wat moet gezegd worden, vanuit een grote urgentie. Het gaat hen in de eerste plaats om de kritiek op de samenleving, om politieke posities die ingenomen en verdedigd worden. Ik kon er niet anders dan met een blik van hier naar kijken. Daar merkte ik pas goed hoe we ons hier ontwikkeld hebben in het denken over vorm, in het bewustzijn van context, in het besef van de gelaagdheid van een kunstwerk. Tegelijk merkte ik ook dat wanneer je op die manier kijkt, je de bal compleet misslaat. Het is goed om dat vormbewustzijn even te vergeten en direct op die urgentie te reageren. Misschien zijn wij die urgentie hier wel kwijt? Ik heb de voorbije jaren vol passie beweerd dat theater gaat over de manier van kijken, over het in vraag stellen daarvan, over het mogelijk maken van alternatieve manieren van kijken. In Zuid-Afrika realiseerde ik me dat dat niet voor iedereen zo belangrijk is. Niet iedereen heeft de behoefte om al die lagen af te pellen. Ik had me die bedenking al gemaakt bij de reacties op mijn voorstelling Winterverblijf en al voordat ik eraan begon wist ik dat het een eindpunt of een beginpunt zou zijn, in elk geval een keerpunt.
In welke zin is deze voorstelling zo definitief voor jou?
Ik heb het theater zo ver uitgekleed, ik heb iets getoond dat bijna niets meer is. Ik heb de twijfel zo ver doorgevoerd, dat er geen verhaal meer is en zelfs geen aanknopingspunten. Het is allemaal zo minimaal. Het is goed dat ik zo ver gegaan ben, maar ik voel nu wel de behoefte om een soort van tegenbeweging te maken.
Begrijp je dat je met Winterverblijf bij het publiek op een weerstand bent gestoten?
Ja, dat begrijp ik absoluut. De voorstelling gaat voor een deel ook over die weerstand. Ik heb voor deze vorm gekozen. Ik heb geen duidelijke en leesbare vorm gekozen om iets te vertellen over onzekerheid en leegte. Ik heb gekozen voor een lege en onzekere vorm. Ik begrijp wel heel goed dat het moeilijk is om daar naar te kijken. Dit is een voorstelling die wellicht alleen maar gelezen kan worden door mensen die vertrouwd zijn met het kijken naar kunst. Dat maakt me ook verdrietig. En is nooit mijn uitgangspunt geweest.
Winterverblijf was je eerste voorstelling voor de grote zaal en voor het grote publiek. Speelde dat een rol in het maakproces?
Ik ben daar eerlijk gezegd niet zo mee bezig geweest. Misschien had ik dat meer moeten doen. Toch vind ik een clash met het publiek niet ongezond. Niet voor het publiek en ook niet voor mijzelf. Ik wil niet alleen maar voorstellingen maken voor een publiek dat al weet wat er gaat komen. In de grote zaal moet er plaats zijn voor experiment. Langs de andere kant ben ik ook blij dat ik Gerucht heb gemaakt. Een voorstelling die speelt in het midden van de stad waar je je zoontje van tien mee naartoe kan nemen.
Was je verbaasd door de reacties op Winterverblijf ?
Gedurende het werkproces is me duidelijk geworden dat het geen eenvoudige voorstelling zou worden. Het is natuurlijk nooit mijn bedoeling om voorstellingen te maken die gesloten zijn. Er zijn wel voorstellingen die meer of minder geduld, meer of minder engagement vragen van de toeschouwer. Winterverblijf was duidelijk een voorstelling die een behoorlijke portie geduld en engagement van de toeschouwers vroeg. Het is ook een voorstelling die niet op alle punten bevredigt. Er zitten momenten in die je meenemen en andere momenten die misschien wel irriteren. Ik zocht naar de nabijheid van momenten van schoonheid en van afkeuring. Momenten van schoonheid en concentratie maak je alleen maar zichtbaar en voelbaar wanneer er momenten tegenover staan die dat niet zijn. Winterverblijf is een voorstelling die je nu eens naar binnen trekt en dan weer naar buiten duwt. Heel anders dan bijvoorbeeld Stillen, waarin je volledig wordt meegezogen.
Wat opviel was dat de voorstelling beter communiceerde met het publiek als jijzelf de intro deed en vertelde over de geluidsopame van Jozef van den Berg, je vader.
Het is een voorstelling waar ik mezelf langzaam mee heb moeten verzoenen. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik ze begreep. In Antwerpen bij de premièrereeks deed een van de acteurs de introductie. Aanvankelijk wilde ik niet zelf de introductie doen. Ik dacht dat het ijdel en sentimenteel zou zijn. Toen de voorstelling in Hamburg stond en er niemand in het publiek zat die het verhaal van Jozef van den Berg kende, dacht ik: laat mij het maar doen. Toen merkte ik dat het klopte dat ik daar stond. Het omkaderde de voorstelling die het karakter van een experiment kreeg. Ook in de voorstelling hebben we nog een aantal dingen veranderd waardoor alles duidelijker werd. In het begin deden we alsof het een logisch te volgen voorstelling was. Daardoor raakten de toeschouwers in de war. Hoe gefragmenteerder we de voorstelling presenteerden, hoe beter ze werd. Als je doet alsof het een verhaal is en het is geen verhaal, dan is dat vreselijk. Maar als je zegt dat het fragmenten zijn en het zijn fragmenten, dan weet het publiek waar het naar kijkt en kan het er nog van vinden wat het wil. Het feit dat ik me emotioneel aan de voorstelling verbond door ze in te leiden, gaf het publiek ook een bepaalde ingang. Ik kan bijvoorbeeld heel lekkere soep maken omdat ik weet dat jij die soep heel lekker vindt. Maar ik kan ook soep maken die ik heel lekker vind en dan tegen jou zeggen: kijk, deze soep vind ikzelf heel lekker, wil jij eens proeven? Dat zijn twee verschillende dingen. Zelfs als jij de soep dan niet lekker vindt, kan jij je nog altijd de vraag stellen waarom ik die wel lekker vind. Dat is met deze voorstelling gebeurd. In mijn intro zeg ik tot het publiek: dit is belangrijk voor mij, dit wil ik aan jullie tonen. Je kan dat natuurlijk niet bij iedere voorstelling doen.
Is de voorstelling een soort van treurarbeid?
Als je daarmee bedoelt dat de voorstelling een verwerking is van de relatie tussen mij en Jozef, dan klopt dat niet. Ik vind het lastig dat bepaalde mensen de voorstelling zo psychologisch lezen. Het is niet zo dat deze voorstelling toont hoe Jozef en ik met elkaar omgaan. Van die intensiteit heb ik niets kunnen tonen. De voorstelling gaat veel meer over de vragen die hij zich stelde over het theater en de vragen die ik me stel over het theater, de werkelijkheid en de waarheid. De voorstelling vertelt niet dat ik me in de steek gelaten voelde door mijn vader. De rollen die de acteurs spelen zijn heel erg van hen. Wat Marlies Heuer doet, is wat zij wilde doen. Dirk Roofthooft heeft het gedicht van Brodski zelf gekozen. Judith zingt over het zich verheugen op de dood, op het einde. Zij was al met die cantate bezig voordat we begonnen met repeteren. De acteurs en zangeressen hebben zich met heel veel overgave verbonden aan de thematiek die ik hen aanreikte. Ik ben hen erg dankbaar voor de manier waarop zij zich persoonlijk aan de voorstelling hebben gegeven. De leegte in de voorstelling heeft te maken met de leegte van een wit vel papier of de leegte van een leeg schildersdoek: waarom zou je er iets op schrijven of schilderen. Hetzelfde geldt voor de lege scène: waarom zou je erop stappen en iets zeggen? Over die vragen gaat de voorstelling. Het zijn vragen die je jezelf soms stelt en waarop je waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Waarom ben ik hier? Misschien is het enige juiste antwoord op die vraag wel het besef dat je beter stopt met vragen. Ik ben er. Dat volstaat. Ik leef. Daarvan genieten. Tijdens het maken van deze voorstelling kreeg ik steeds meer het gevoel dat het benoemen van een eventueel verschil tussen onwaar en waar, tussen werkelijk en onwerkelijk, niet zo relevant is. Noem mij iets wat onwaar is? Het hangt er maar vanaf vanuit welk kader je het bekijkt. Zoals de patafist Alfred Jarry al zei: sinds wanneer is de fantasie onwerkelijk?
Je noemt de voorstelling een keerpunt in je werk. Heb je enig idee wat er nu gaat komen?
Ik heb mezelf uitgedaagd en geconfronteerd met een bepaald soort onmogelijkheid. Het is grappig om te constateren dat wanneer je een voorstelling over een bepaald thema maakt, je ook persoonlijk met dat thema geconfronteerd wordt. Met Stillen wilde ik het hebben over hoe lichamen van elkaar afhankelijk zijn. Ik kwam op dat idee toen ik een relatie had en het heerlijk vond om me afhankelijk te voelen van een ander lichaam. Op het moment dat ik de voorstelling ging maken, brak die relatie en werd ik dus met mijn eigen thematiek geconfronteerd. Gerucht ging over hoe je kan omgaan met chaos in de stad. Tijdens het werkproces begonnen de acteurs zich ook werkelijk die vragen te stellen. De thematiek haalt je in. In Winterverblijf wilde ik het over het noodzakelijke falen hebben. Dat heeft mij uiteindelijk ook als regisseur overvallen. Winterverblijf is wellicht ook een falende regie. En dat is ook de sterkte van de voorstelling. Maar dan moet je er wel op een bepaalde manier naar kunnen kijken. Ik heb de voorbije jaren de onderwerpen van mijn voorstellingen heel diep uit mezelf gehaald. Al een tijdje denk ik dat ik alles moet opengooien. Nu wil ik voorstellingen gaan maken in reactie op wat ik zie bij anderen. Niet in de eerste plaats graven in mezelf, maar dialogeren. Eigenlijk is het een simpel gevoel: jarenlang ben ik bezig geweest met mezelf, nu wil ik anderen tegenkomen en uit die ontmoetingen nieuwe onderwerpen halen. Daarbij moet ik heel erg denken aan de voorstelling die ik enkele jaren geleden in de gevangenis heb gemaakt. Ik wist niet wat het is om in de gevangenis te zitten. Ik heb de gevangenen ontmoet en ben via hen te weten gekomen waarover de voorstelling moest gaan. Het zijn dat soort processen die ik in de toekomst meer wil gaan ontwikkelen zonder dat het een dogma moet worden. Ik heb veel zin om mensen te ontmoeten en dingen te zien die ik nog niet ken.
Je gaat in de volgende maanden werken aan een film.
Film is een medium dat ik nog niet ken. Ik heb een filmworkshop gedaan. Ik kreeg de mogelijkheid om een paar dagen te draaien met een cameraman. Ongegeneerd mocht ik de hele dag vragen: maar hoe moet dat dan? Wat is het verschil tussen die lenzen? Waarom deze camera of dit perspectief ? Heerlijk vond ik die positie van eeuwige beginner. Ik plaats me graag in een positie waarin ik niet weet en op zoek moet naar een nieuwe taal. Wat mij in het medium film heel erg fascineert, is dat je buiten bent. Toch merk ik nu al dat de film de neiging heeft om de werkelijkheid tot decor, tot set ting te degraderen. Ik zit heel erg na te denken of ik niet een meer documentai re film moet maken. Ik wil een film maken over de stad, over iemand in de stad. Het verhaal is een soort omgekeerd Kasper Hauser-verhaal over een man die zijn plek heeft in de wereld, maar langzaam de taal begint te verliezen en daardoor in een meer dierlijk en intuïtief universum terechtkomt. De man evolueert van een abstracte wereld van woorden en denken naar een concrete wereld van aanrakingen. Eerst zag ik dat als een lineair verloop, maar nu denk ik eraan om dat thema in scènes uit te werken waarin die twee extremen aanwezig zijn zonder al te expliciete uitleg. Het scenario is nog in volle ontwikkeling.
Je gaat Winterverblijf niet hernemen?
Winterverblijf was een daad. Je kan een daad niet zomaar reproduceren. Ik heb het gevoel dat de voorstelling ongeloofwaardig wordt als ik ze nog twintig keer toon. Ik wil deze voorstelling niet te lang met mij meedragen. Het was een momentopname. Als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik dat op de dag van de première al zo aanvoelde, terwijl ik eigenlijk heel slecht ben in het loslaten van voorstellingen. Ik ben uiteindelijk heel blij dat we de tournee hebben gedaan. De voorstelling is nog geëvolueerd en ik heb veel geleerd. Maar het is wel een worsteling geweest. De acteurs en ikzelf moesten er voortdurend een nieuwe relatie mee aangaan. Er waren mensen die zeiden: “ach daar moet je je niks van aantrekken als mensen de zaal verlaten.” Maar dat doe je natuurlijk toch.
Hoe kijk je nu naar de grote zaal? Heb je het gevoel dat je je eerste afspraak gemist hebt?
Het was in elk geval geen gemiste afspraak. Het omgaan met het grote publiek is het meest lastige van het werken in de grote zaal. Ik heb me daar tijdens het maken van Winterverblijf weinig van aangetrokken. Ik ben blij dat ik dat zo gedaan heb. Ik ben ook blij met de evolutie van de voorstelling tijdens de tournee. Het is wel zo dat ik niet meteen zin heb om opnieuw in de grote zaal te werken. Ik vind het een uitdaging om het brede publiek aan te spreken, maar ik weet niet of ik hen in zo grote getale wil aanspreken. Ik geef er de voorkeur aan om intiemer te spelen. Ik wil voor heel veel verschillende mensen voorstellingen maken, maar niet voor allemaal tegelijk. Ik wil de confrontatie met de toeschouwers absoluut aangaan, maar ik wil dat eigenlijk al doen tijdens het proces. Tijdens het zoeken naar materiaal wil ik buiten het theater zijn. Dat is de ontmoeting waarover ik het al had. Ik wil dat die ontmoeting er lang voor de première van de voorstelling is, dat je niet pas in de theaterzaal met elkaar geconfronteerd wordt, zoals dat nu meestal het geval is. De vraag voor wie je theater maakt en met wie je wil communiceren is essentieel. Maar op een term als ‘het grote publiek’ heb ik geen vat. Dat is een te abstracte notie voor mij. Het inspireert mij helemaal niet. Ook ben ik er helemaal niet over uit of de grote zaal wel de beste plek is om theater te maken. Ik begrijp dat er heel veel theatermakers zijn die er expliciet voor kiezen om in de kleine zaal theater te maken. De kleine zaal is geen opmaat naar de grote zaal. Het is gewoon een andere zaal.
Volgend jaar verlaat je Toneelhuis en krijg je de artistieke leiding van een nieuwe structuur in Dordrecht. Denk je dat je daar een betere context kan creëren voor je voorstellingen?
In Toneelhuis heb ik kunnen maken wat ik wilde maken. Dordrecht is een volgende stap die in het teken zal staan van de ontmoetingen en het procesmatige. Ik zie mijn werk daar als één voorstelling. In elk geval als één beweging van voorstel lingen en projecten die op elkaar reage ren. Ik heb nood aan een beweging die voortdurend nieuwe plannen en ideeën genereert. In Dordrecht sta ik aan het hoofd van een kleine structuur die dat mogelijk maakt. Ik kan de hele organisatie vanuit dat artistieke idee aansturen en organiseren. In Dordrecht wil ik heel lokaal beginnen: projecten in de stad, samenwerkingen met andere kunstenaars. Ik wil nagaan welke contacten Dordrecht al heeft met het buitenland en via die netwerken internationaal gaan werken. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met de landen van herkomst van de allochtone bevolking maar ook met plaatsen waar de schepen aanleggen. Ik zou het liefst lange reizen maken van vier, vijf, zes maanden met een groep van tien, twaalf kunstenaars, en niet precies weten wat we gaan maken. Ik wil me laten inspireren door wat ik ter plekke zie en door de mensen die ik daar ontmoet.
Misschien maken we drie kleine voorstellingen, misschien een grote, misschien een tentoonstelling of een film. En dat werk wil ik dan hier tonen en zien hoe het hier een andere betekenis krijgt. Ik heb de behoefte om het theater minder log en meer flexibel te maken.
Toch een voorkeur voor een kleinere structuur?
Wat ik me meer en meer realiseer is dat het niet gaat over de vraag welke voorstellingen en welk theater ik wil maken, maar over de vraag hoe ik wil leven. Er zijn altijd prachtige dingen die je kan doen. Ook hier in Toneelhuis zou ik nog prachtige dingen kunnen doen. Maar toch heb ik een andere uitdaging aangenomen, een veel onzekerdere. Dat inspireert me op dit ogenblik meer. Ik wil mijn inspiratie buiten het theater zoeken. Ik ben niet geïnteresseerd in het lezen van teksten en het ensceneren ervan in een donkere ruimte. Veel van mijn werk is ontstaan uit ontmoetingen met andere mensen. De relatie tussen de mensen met wie ik werk en de concrete omgeving waarin ik werk is ongelooflijk belangrijk. In Toneelhuis moet ik me toch bij een aantal dingen neerleggen omdat Guy artistiek leider is. Ik ben een zeer koppig iemand en heb soms het gevoel dat ik het anders zou willen doen. Dat heeft ook te maken met het feit dat ik graag in structuren werk die net iets kleiner zijn. Binnen een groot huis als Toneelhuis heb je op een andere manier contact met mensen. Ik weet dat ik niet voor een makkelijke oplossing gekozen heb door naar Dordrecht te gaan. Maar ik denk dat het meer mijn maat is. Ik werk graag in Toneelhuis, maar het is belangrijk dat ik me voortdurend uitdaag om dat te doen wat ik het liefste doe. Tot nu toe heb ik dat altijd gedaan. Die keuzes gebeuren eigenlijk intuïtief. Ook nu is dat het geval. Guy heeft theatermakers gevraagd die behoorlijk autonoom waren en al een eigen artistiek parcours hadden afgelegd. Het feit dat iemand doorgroeit en opnieuw afstand neemt van Toneelhuis is onderdeel van het hele project. Lijnen kruisen op een bepaald moment en lopen dan weer uit elkaar. Toneelhuis was geen beginpunt, het is ook geen eindstation. Ik ga natuurlijk in contact blijven met Toneelhuis en proberen mijn werk zoveel mogelijk in Antwerpen te tonen.
(Toneelhuis Antwerpen)