01/02/2007
De eeuwige beweging tussen vallen en opstaan
Dramaturge Suzanne Jaeschke beschrijft in detail haar impressies bij het werkproces van Lotte van den Bergs Stillen, een productie die deels in Berlijn tot stand kwam.
Rothenmoor is een klein dorpje in Mecklenburg, tweehonderd kilometer ten noorden van Berlijn. Hier is bijna alles onvolkomen. Het landgoed staat op instorten. De bevolking is grotendeels werkloos en aan de drank. Tegelijkertijd is het van grote schoonheid. De heuvels, de bossen en de meren. Maar ook de zelfgetimmerde stallen voor kippen, eenden en konijnen. En de mensen met al hun onbeholpenheid. Met trainingsbroeken en dikke truien. Hier voeren Lotte van den Berg en ik in januari 2004 de eerste gesprekken over Stillen. ‘Stillen’ betekent in het Duits ‘een kind de borst geven’, maar je kan ook de pijn, de honger, de dorst en het bloed stillen. We willen een voorstelling maken over ‘elkaar nodig hebben’. We kijken naar onze levens en zien dat we vaak doen alsof we het wel alleen kunnen. Tegelijkertijd is dat alleenzijn bijna altijd verbonden met een gevoel van gemis. Samen zou meer moeten zijn, maar samen is vaak ook ingewikkeld.
De voorstelling wordt in Berlijn gemaakt, in de wereldstad waar ik sinds tien jaar woon en werk. Een spannende stad. In Berlijn is ruimte. Er zijn nog veel plekken die lijken te wachten op betekenis. Soms voor even, soms voor langer. Zo’n plek is de Sophiensaele, een zaal die tien jaar geleden door Sascha Waltz is ontdekt. De oude feestzaal was in het begin van de twintigste eeuw een verzamelplaats voor de handwerkersgildes. Hier hield Rosa Luxemburg vlammende redevoeringen over sociale rechtvaardigheid. Er werd gedanst, gedronken en gepraat.
In de tijd van de DDR herbergde het gebouw de decor- en kostuumateliers van het Maxim Gorki-Theater. De sobere feestelijkheid van weleer maakt plaats voor functionaliteit. Het parket wordt door linoleum vervangen. De leidingen en schakelaars voor de elektriciteit zijn zichtbaar, de waterleidingen en afvoerkanalen worden niet verstopt. Het ooit goudgeverfde plafond bladdert meer en meer af.
Na de val van de muur staat het complex leeg. Sascha Waltz vindt in de combinatie van vergane glorie met functionaliteit de ideale context voor haar eerste voorstellingen. In 1999 maakt ze de overstap naar de Schaubühne en sindsdien wordt de ruimte door andere theatermakers bespeeld. Inmiddels is de Sophiensaele een van de belangrijkste plekken voor het Duitse ad-hoc-theatercircuit.
Lotte is direct zeer enthousiast over deze ruimte. Een zaal die de sporen van haar verleden draagt. De muren zijn bruinig, grijs, beige met sporen van steenrood, grijsblauw en olijfgroen. Soms mooi, soms viezig, met gaten en vlekken. De resten van een eeuw bedrijvigheid. Deze resten tonen de schoonheid van onvolmaaktheid en vergankelijkheid. Dit is wat Lotte in haar voorstellingen wil laten zien. Lottes voorstellingen beginnen bij een persoonlijke fascinatie. Vandaar uit zoekt ze haar spelers en de ruimte om met hen vormen te ontwikkelen, die pas laat in het repetitieproces uitmonden in de uiteindelijke vorm van de voorstelling. De keuze van de spelers is daarom van fundamenteel belang. Bij Stillen willen we een evenwichtige verdeling hebben van mannen en vrouwen en ook een evenwichtige verdeling van verschillende generaties. Omdat Lottes voorstellingen een sterk performance-karakter hebben, zoeken we mensen van verschillende disciplines en met een authentieke uitstraling op het toneel. In deze productie willen we bovendien graag theatermakers uit het Nederlandstalig circuit in contact brengen met makers uit Duitsland.
Zeer snel is het duidelijk dat de in Duitsland opgegroeide Gerindo Kamid Kartadinata, met wie Lotte eerder de voorstelling Het Mensenmuseum bij Het Lab in Utrecht maakte, mee gaat doen. In Berlijn had ik al eerder samengewerkt met Annalisa Derossi, een Italiaanse speelster met zowel een klassiek ballet- als een piano-opleiding. We vragen Luc Boyer, een van de pioniers van het bewegingstheater. Via Luc komen we in contact met Lucia Meeuwsen, een operazangeres die in talloze hedendaagse stukken heeft gestaan. In Berlijn leren we Stephan Jurichs kennen. Dit is een nog zeer jonge acteur, autodidact, die zich met grote overgave in het project stort. Als laatste schakel in het ensemble zoeken we een jong meisje, of eigenlijk meerdere, omdat we in Duitsland en in België met verschillende kinderen moeten werken. Lotte houdt een auditie via het Toneelhuis en vindt Linze Steeno en Emma Simons. In Berlijn vinden we Emily Elflein, een zevenjarige die zich met een wonderbaarlijk en ontroerend gemak op scène beweegt.
Het toneelbeeld wordt ontworpen door Dries Verhoeven. Net als Lotte is Dries er in zijn werk naar op zoek het theater te ontdoen van elk ‘doen alsof ’. De materialiteit van hetgeen er in de theaterruimte wordt toegevoegd is zeer belangrijk. Belangrijk voor het toneelbeeld is dat we de sfeer van de Sophiensaele op de een of andere manier mee zachten, verzorgen. Maar over zeep kan je ook snel uitglijden, het ontneemt je elke houvast.
De praktische omzetting van dit idee is niet evident. Hoe vervoer je immers een vloer van zeep? Dries bedenkt met het atelier van het Toneelhuis een ingenieus systeem met houten platen waarop alle stukjes zeep in het gelid liggen en zo getransporteerd kunnen worden. De goedkoopste producent van de glycerinezeep vinden we in Warschau. We bestellen 37.000 stukjes.
Bij het denken over Stillen proberen we zo ver mogelijk weg te blijven van de psychologie. De behoeftes van het lichaam moeten zeer basaal in de voorstelling zichtbaar gemaakt worden. Het gaat ons er niet om een familieverhaal te vertellen, waarin we begrijpen wat de problemen, afhankelijkheden en machtsposities van de ene ten opzichte van de ander zijn. We zoeken naar de momenten waar een lichaam over een ander valt, tegen een ander aanbotst, zich aan een ander vastklampt, zich van een ander losrukt.
We zoeken naar vormen voor expressie van de fundamenteelste behoeftes van het lichaam. We worden geïnspireerd door Helmut Oehring, een componist die met dove zangers werkt. Met klank kan je een lichaam binnenstebuiten te keren. Lucia Meeuwsen vertelt ons over de geboorte van de klank diep in de keel bij de stembanden. Vanuit deze klanken kunnen archaïsche gezangen van orgasme, geboorte, pijn en extase ontstaan.
Lotte laat ons een film van Werner Herzog zien over mensen die zowel doof als blind zijn. Hun lichamen zijn ontroerend. Deze mensen zijn op de aanraking aangewezen, maar worden juist geïsoleerd en beperkt in hun bewegingsvrijheid, waardoor een zeer vreemde lichamelijkheid ontstaat.
We bekijken films van Tarkovski, waar surrealisme en realisme zo dicht bij elkaar liggen in verlaten en vervallen ruimtes. We bekijken films over dieren, waarbij seksualiteit niets met psychologie te maken heeft, maar alles met overlevingsdrang.
We kijken naar de kwetsbare lichamen van de schilderijen van Egon Schiele en de beelden van Berlinde de Bruyckere. Zo voeden we ons in de eerste helft van 2006 met beelden die associatief met de voorstelling te maken hebben of kunnen hebben.
Eind augustus komt iedereen aan in Berlijn. In deze zeven repetitieweken neemt de voorstelling steeds duidelijkere contouren aan. Lotte begint met dat wat er is. Een repetitieruimte, zes mensen. De eerste improvisatieopdrachten zijn dicht bij de spelers. Het gaat erom beelden te vinden voor rust en onrust. Hoe ziet een onrustig lichaam eruit? Wat is de reden van de onrust?
Hoe ziet een rustig lichaam eruit? Kan je rustig worden in een grote ruimte met andere mensen erbij? Of beter in eenzaamheid? In de eerste repetities zoeken de spelers veel alleen. Daarna komen ontmoetingen. Elk lichaam heeft zijn specifieke eigenschappen: jong, oud, dun, dik, sterk, broos. Elke speler is op de een of andere manier het complement van de ander. We zoeken beelden en situaties waarin de ene speler een gemis van de ander probeert te verzachten. Het proberen, de poging tot, is wat ons het meest interesseert. Interessanter dan het probleem, ook interessanter dan de oplossing. Juist het onvolkomene, zoekende, is wat wij het meest herkennen en wat voor ons de grootste schoonheid en troost in zich draagt.
Naast de beelden van spelers alleen en spelers met elkaar zoeken we in de repetities ook naar groepsscènes. Om bij een groepsbeeld of een groepsscène duidelijk te focussen hebben wij behoefte aan een grotere abstractie. We onderzoeken de verschillende kwaliteiten van samen ademen, samen lachen, samen tongen uitsteken zoekend naar water, zoekend naar voedsel.
In de loop der tijd ontstaat uit het materiaal dat we met de spelers ontwikkelen langzaam zoiets als rollen. In een minimale transformatie worden contrasten en overeenkomsten tussen de houding van de spelers ten opzichte van zichzelf en de anderen scherper gemaakt en ontstaan er personages. Met het ontstaan van de personages ontstaan ook relaties tussen de personages. Een man en een vrouw worden een paar, een vrouw en een jongen worden moeder en zoon. Het blijft voor ons van belang een evenwicht te vinden tussen de lichamen van de spelers zonder verhaal en de verhalen die in de hoofden van de toeschouwer mogen ontstaan zonder die expliciet uit te spelen.
Steeds weer spreken we over de verschillende kwaliteiten van abstractie en concrete leesbaarheid. De vraag naar wat ‘echt’ is op het toneel loopt als een rode draad door het werk van Lotte van den Berg. Het antwoord is steeds weer anders. Tijdens de regieopleiding maakt ze een performance waarbij geluidsmateriaal verbonden wordt met een abstracte dans. Een duidelijke abstracte vorm, geen sprake van doen alsof. Ze werkt in Begijnenstraat 42 met gevangenen in Antwerpen die met hun hele hebben en houden op het toneel gaan staan en daarom een maximum aan authenticiteit meebrengen. Het Punthoofd op het Oerolfestival wordt een bizar sprookje waarin wel duidelijk rollen worden gespeeld en Braakland, de voorstelling waarin op vijftig meter van het publiek in een gestaag ritme bijzonder gewelddadige dingen gebeuren, kan gezien worden als een nieuw soort hyperrealisme. De voorstelling wekt de indruk dat het publiek toevallig getuige is van datgene wat werkelijk op dat moment in die ruimte gebeurt.
Deze openheid haar werk steeds opnieuw te definiëren kenmerkt de werkwijze van Lotte. Er zijn geen dogma’s over wat wel of niet mag en moet. Al het materiaal ontstaat tijdens de repetities, en de vorm waarin het gepresenteerd moet worden, kristalliseert zich langzaam uit.
De vloer van zeep ligt in de Sophiensaele. Het olijfbruingroen van de vloer herhaalt zich overal op de muren. Het blijkt dat de zeep uitzet en de vloer begint te bewegen. Dries zet stoelen neer met een gemis: zonder zitting, zonder leuning of met een scheef pootje. Als je een stoel op de zeep zet, zakt hij er half in en er schieten zeepjes los. De vloer leeft. Het is een prachtige ruimte. Deze ruimte verwijst alleen naar zichzelf. Het is geen abstractie, het is wat het is. Zo plaatsen we ook de scènes in de ruimte. Elke scène is een ontmoeting tussen twee of meer spelers. De blinde jongen danst op de pianomuziek, de oude man kijkt naar het kleine meisje, de vader kan pas huilen als hij de hand van zijn zoon voelt, de vrouw raakt verkrampt bij de aanraking van haar man, de andere vrouw biedt haar liefde en haar lichaam steeds weer aan om steeds weer alleen over te blijven. De scènes gaan eerst als een rijdans in elkaar over om zich dan meer en meer met elkaar te verweven. Zo vertelt de voorstelling op een terloopse manier over liefde en eenzaamheid en hoe deze beide vervlochten zijn in ons leven.
In haar voorstelling Braakland laat Lotte van den Berg menselijke wreedheden zien zonder oordeel, zonder moraal. In een gestaag ritme als een hartslag gebeuren de dingen nu eenmaal en deze onvermijdelijkheid herbergt een grote troost in zich. Ook in Stillen zet Lotte de beelden van tederheid en wreedheid, van toenadering en afwijzing, steeds naast elkaar. Zonder commentaar. Zonder angst te shockeren, maar ook zonder angst voor gevoeligheid. Alles is steeds tegelijkertijd aan de hand. We kunnen het leven niet versimpelen door altijd gelukkig te willen zijn. Maar we hoeven ook niet te wanhopen over het onvermogen van de mensen. We hoeven niet te proberen van alles te veranderen en te verbeteren. De grootste opdracht is het leven te ondergaan in al zijn onvolkomenheid, en juist daarvan de vitale kracht te ontdekken. De kracht van de eeuwige beweging tussen vallen en opstaan, sterven en geboren worden, zaaien en oogsten, afbreken en weer opbouwen.
(Toneelhuis Antwerpen)