01/06/2006
Stille opstand
Artistiek credo van Lotte van den Berg n.a.v. keuze om een van de zeven Toneelhuismakers te worden in 2006. Gevolgd door interview met Erwin Jans.
Op tafel ligt een tekst die Lotte van den Berg schreef in oktober 2005:
ik stel mezelf de vraag:
is er iets waartegen ik me verzet?
is er iets waartegen ik me zou moeten verzetten?
moet ik me verzetten tegen de heersende orde?
nee.
ik moet dicht bij mezelf blijven, niet over me heen laten lopen en onderhandelen, maar ik hoef niks stuk te gooien. het is niet nodig. sterker nog, ik word met open armen ontvangen. er is behoefte aan nieuwe plannen. jong en talentvol, dat hoor je wat mij betreft net iets te vaak. we worden verwend. mag ik dat zeggen? ik word verwend. toen er met tomaten gegooid werd, liep mijn vader weg van de toneelschool. hij had het gevoel daar alleen maar dingen af te leren. hij kon het zelf beter, bouwde een poppenkast en trok met paard en wagen het boerenland in. dertig jaar later zat ik op de theaterschool, de regieopleiding. ik heb nooit het gevoel gehad weg te moeten lopen van school. in tegendeel. ik kreeg de mogelijkheid mijn eigen taal te ontwikkelen, mocht persoonlijk zijn, moest persoonlijk zijn. is het erg dat ik niet heb hoeven vechten voor mijn rechten?
is het erg dat ik niet heb hoeven schreeuwen en veranderen?
ben ik er zwak van geworden?
ben ik zwak?
nee.
ik heb in alles wat ik deed en maakte verantwoordelijkheid genomen. Verantwoordelijkheid voor mezelf, de voorstelling, de spelers, het publiek. ik neem het vak ongelooflijk serieus. Theater maken mag niet vanzelfsprekend zijn, als de omstandigheden dat wel zijn, moet je zelf kritisch zijn en afremmen. ik kies ervoor te werken in situaties waarin ik het mezelf moeilijk maak. vorig jaar maakte ik een voorstelling in de gevangenis van Antwerpen. Daar moest ik iedere dag vechten voor repetitieruimte en bewaking. de noodzaak van theater werd voortdurend betwist. een staking van het personeel dreigde uit te breken. een van de spelers werd vrijgelaten en kon niet meer meedoen. een andere speler had een kind in het ziekenhuis liggen waar hij niet naartoe mocht. de werkelijkheid haalt je in en de voorstelling wordt op scherp gezet. nooit eerder had ik het gevoel dat het zo belangrijk was theater te maken. een paar weken geleden speelde Het blauwe uur in Amsterdam. Het blauwe uur is een voorstelling die speelt tijdens zonsopgang in een heel gewone straat ergens in de stad. In Amsterdam speelden we op Sporenburg, een nieuwe wijk bij het KNSM-eiland. nog nooit hadden we zoveel problemen met de bewoners van de straten. veelal intellectueel, kunstzinnig, maar duidelijk cultuurmoe. over de kinderen die kwamen kijken heb ik me nog het meest verbaasd. Een schoolklas jonge Amsterdammers. ze waren cynisch. kinderen van 9 jaar oud die alles dood relativeren. ik was er kapot van. pas bij de laatste voorstellingen waren we ingetuned op dit jong geweld en lukte het ons ook Amsterdam een klein beetje te betoveren.
ik werk graag op locatie. daar kan ik het me niet veroorloven in mijn eigen gedachten rond te blijven dolen. daar moet ik me voortdurend verhouden tot de dingen die gebeuren, tot de mensen om me heen. sinds een maand werk ik voor het grootste theatergezelschap van België. het Toneelhuis. een bedrijf, een theaterfabriek. ik heb lang getwijfeld. Groot is corrupt. geld is vies. zo heb ik dat geleerd. ik ben een kind van de revolte. ik droom van een klein gezelschap in een oude boerderij in het weiland. zo heb ik dat geleerd. zo deed mijn vader dat. toch ga ik werken voor een groot stadsgezelschap. als ik vind dat ik iets te zeggen heb, waarom dan in de marge blijven hangen? ik zal infiltreren, de systemen leren kennen en invloed uitoefenen. ik heb geweldige plannen. een bevriend regisseur noemt zichzelf een kameleon. ik schep er genoegen in me aan te passen. dat betekent niet dat ik het fijn vind te verdwijnen, opgeslokt te worden, dat niet. absoluut niet. ik zal altijd laten zien dat ik er ben. ik vind het een uitdaging situaties, structuren en mensen die ik niet begrijp te leren kennen en te doorgronden. niet om ze omver te werpen, maar om er iets tegenover te kunnen zetten, ze open te breken en een klein beetje lucht te geven.
Het blauwe uur wordt gespeeld, vroeg in de ochtend, in een heel gewone straat, ergens in de stad. om kwart voor zeven 's ochtends, aan het eind van de voorstelling, speelt de fanfare. zachtjes, maar je wordt er wakker van. de goed geordende en hard werkende nieuwbouwwijk met identieke huizen, waarin iedereen gaat voor zijn eigen geluk, ontregel ik met hard lachende en joelende kinderen in de ochtend. in de gevangenis, een hiërarchische strenge en ongeïnteresseerde omgeving, laat ik de mannen dansen. ik probeer iets te vertellen over de hoop die ook zij nog hebben. sommige van hen zitten levenslang.
samen met Josse De Pauw begin ik volgende maand aan de repetities voor de voorstelling Volk. een plein in de grote zaal. mensen lopen langs elkaar heen. verschillende mensen, verschillende verhalen. een bom ontploft. stilte. twee dagen later. hetzelfde plein, er lopen mensen. zo is het. zo gaat het. in de voorstelling doen we geen uitspraak over de dader, het slachtoffer, de oorzaak, het gevolg. Ik heb geen behoefte aan woorden. er wordt wat mij betreft teveel gesproken. zoveel meningen, standpunten en opvattingen. ze houden elkaar in stand. alles wat tegengesproken kan worden, is te betwisten. wie weet wat goed of slecht is. de wereld is op hol geslagen. in de supermarkt, honderden verschillende soorten melk, yoghurtjes en kwarken. wat moet ik eten? wat zal ik kopen? hoe onbelangrijker de keuze, hoe moeilijker te kiezen. de vrijheid dicteert.
de televisie schreeuwt.
overal ontploffen bommen.
deze tijd heeft geen behoefte aan lawaai. geen behoefte aan tumult.
deze tijd heeft geen behoefte aan een opstand.
deze tijd heeft behoefte aan rust.
ik heb heimwee. maar niet naar een revolte. ik ben vijf jaar oud. ik heb mijn jas aan en ik loop de tuin in. ik ga zitten in het gras. het gras is hoog. er staat een boom. die staat er al heel lang. toen was ik klein. nu ben ik groot. groter. ik kijk naar de wereld om me heen als een toeschouwer. ik geef alles woorden. Ik waardeer en beoordeel. alles wordt opgedeeld en vastgelegd. mijn dagen hebben hokjes. overal lopen lijnen en gaan deuren dicht, open en weer dicht. ik zou zo graag weer eens de tuin in lopen zonder te weten wat ik ga doen. niet efficiënt en niet gepland. onbelemmerd en zonder bedoeling kijken naar de wereld om me heen. ik maak theater en stel mezelf steeds weer dezelfde vraag. hoe kan ik een ruimte creëren waarin je kan kijken zonder woorden en regels? een ruimte waarin de toeschouwer een deelnemer wordt die de voorstelling zonder verwachtingen kan ondergaan. een mens is klein en twijfelt. "hoe moet ik leven?", vraagt hij aan iemand die net van plan was hetzelfde te vragen. niemand weet het. de vragen zijn immens. We hopen rust te vinden in een antwoord. maar rustig is het waar geen vragen zijn. ik zit in het gras. de wolken vliegen voorbij. er staat een boom. die staat er al heel lang.
er is een weten zonder woorden. het eigenlijke weten. een weten zonder besef. een zeker weten te groot en te eenvoudig voor ons denke bevragen de wereld omdat we haar niet durven kennen. we hopen op mooie antwoorden en indrukwekkende ontknopingen. we zijn onmachtig de dingen te zien voor wat ze werkelijk zijn. we vormen ons een beeld van de perfecte wereld. over straks dromen we. straks wordt alles beter. we verzetten ons. we verzetten ons tegen dat wat is. hoe moeilijk is het te accepteren dat de dingen gaan zoals ze gaan. een blad valt van de boom, langzaam dwarrelt het naar beneden en blijft liggen. een mens is klein en nietig. als je heel hard op z'n hoofd slaat gaat hij dood. de bergen zijn altijd. wij niet. wij rennen en krioelen. wij sterven en worden geboren.
als ik over straat loop en om me heen kijk, mensen zie die lopen, struikelen, vallen, rennen, als ik over straat loop en mensen kijk, zou ik voortdurend kunnen huilen. van ontroering. niets is fijner dan stiekem kijken hoe iemand zijn veter strikt, een ijsje eet. zoveel al wordt verteld met weinig. je denkt iemand te kennen als je ziet hoe hij loopt, een steentje uit zijn schoen haalt en gaat zitten. je denkt iemand te kennen en toch, je weet van niets. een mens is niet te vatten. en toch, je ziet hoe hij loopt, gaat zitten, een sinaasappel eet, en je begrijpt. Ik maak theater. ik probeer kaders te creëren van waaruit de werkelijkheid bekeken kan worden. ik hoop mezelf en de toeschouwer uit te dagen om zonder oordeel te kijken. ik heb er geen behoefte aan te bekritiseren.
ik maak theater. ik organiseer ontmoetingen. tussen mezelf, een publiek, tussen spelers en grote gedachten. een mens is klein. het leven groot. we zoeken en verdwalen. we raken in paniek en komen weer tot rust. alles verandert voortdurend. alles is altijd in beweging. zo wil ik maken. daarover wil ik maken. in een wereld waar gestreefd wordt naar maakbaarheid en perfectie probeer ik de straatstenen te verzachten. in het snelle leven van steeds maar meer en hoger, hoop ik ruimte te creëren tussen de botten, de huizen en de mensen.
het zou mooi zijn als het kon, de wereld veranderen. ik heb de vreemde arrogantie te denken dat ik weet hoe het anders moet en beter kan. luister naar mij en alles zal goed zijn. hoe zekerder je bent van je gelijk hoe gevaarlijker het wordt. het is maar goed dat ik me rustig houd...
OKTOBER 2005
Is deze tekst een soort van programmaverklaring voor je werk?
Ik heb deze tekst geschreven voor een discussie over de 'revolte'. Dat gebeurde naar aanleiding van een voorstelling van het Nederlandse gezelschap Nieuw West. Uiteindelijk ging de discussie over het verschil tussen de oude en de nieuwe generatie, en over het verschil in engagement. In die tekst probeer ik heel voorzichtig iets te zeggen over een stille opstand, een opstand die meer van binnenuit komt. Misschien kan je dat niet eens een opstand noemen. Ik heb het gevoel dat ik, als mens en als theatermaker, op een andere manier probeer te reageren op de complexe dingen die nu in de wereld aan de hand zijn. Ik doe dat niet door te schreeuwen, te schoppen of te choqueren. Ik pleit voor aandacht en stilte. Ik heb bij mezelf gemerkt dat ik nauwelijks nog naar televisie kijk. De media en ook de politiek op televisie zijn verworden tot één grote reclamespot. Niets is nog echt. Alles wordt gecoacht, gepland, gestyled en georganiseerd. Het gaat daarenboven alleen nog over meningen: "ik vind dit" of "ik vind dat". Ik heb niet het gevoel dat meningen iets wezenlijks toevoegen aan de blik die we op de dingen hebben. Voor mij is het van groot belang om heel aandachtig te zijn, daar waar je bent. Om je niet te verliezen in meningen, in grote gedachten, in ruzies en discussies die in wezen niets met je eigen leven te maken hebben en waar je dus ook structureel niets aan kan veranderen. Het enige waar je mee bezig kan zijn, is de concrete werkelijkheid waar je zelf in staat.
Hoe sta je dan tegenover een beweging als de andersglobalisten, waarin heel wat jongeren zich expliciet bezighouden met de grote thema's, met wat er in het Amazonewoud, of in Afrika of Azië gebeurt? Vind je dat dan te gemakkelijk?
Ik vind inderdaad dat je daar heel zorgvuldig mee om moet gaan. Voor je het weet gebruik je een dergelijk engagement alleen maar om je eigen imago of identiteit te versterken en heeft het niet daadwerkelijk iets te maken met die regenwouden. Het is natuurlijk logisch dat je in een wereld waarin je niet meer weet wie je bent, dat soort standpunten gaat gebruiken om jezelf op de kaart te zetten. Ik wil absoluut niet beweren dat het slecht is je in te zetten voor al deze zaken. Integendeel. Het werk dat je doet moet wel zorgvuldig gekozen worden, opdat je ook werkelijk betrokken bent bij wat je doet.
Heeft jouw vraag om stilte en aandacht te maken met de zoektocht naar wie je zelf bent?
Ja. Het helpt mij heel erg om mij te realiseren dat ik niet besta in mijn gedachten en in de waanzinnige toekomstdromen die ik heb. Wat je beschouwt als je problemen, zijn meestal de werkelijke problemen niet. Je creëert ze zelf. Als je omgaat met de dingen om je heen, dan kan je ze ook veranderen. Of ze blijven zoals ze zijn en dan accepteer je ze. Dan worden de dingen heel concreet en overzichtelijk. We verliezen ons snel in grote woorden of gedachten, in grote idealen of woedes. In Amsterdam werd vorig seizoen een 'wraakfestival' georganiseerd als een reactie op het te rechtse kabinet. Op de poster stond het portret van Rita Verdonk, met daarboven het woord 'WRAAK' met rode en zwarte letters. Dan ben je eigenlijk even agressief bezig als datgene waartegen je reageert. Dat merk je voortdurend in de politiek: links en rechts houden elkaar in stand. Is de ene kant beter dan de andere kant? Ik vind dat een moeilijke vraag.
Pleit jij dan voor een terugtrekking uit het strijdperk?
(lacht) Je moet de strijd niet aangaan, je moet buiten het strijdperk gaan staan. Dat probeer ik in elk geval. Het helpt mij. Het conflict niet aangaan maar buiten het conflict gaan staan. Ja, eigenlijk is het conflict er niet. Het is bezigheidstherapie. We houden onszelf bezig. We lezen de kranten om te weten wat er overal in de wereld gebeurt. Daar praten we dan weer in groep over. Er zei laatst iemand tegen mij: "eigenlijk zijn heel veel gesprekken die mensen voeren, niets anders dan het luizen dat apen doen." Het gaat eigenlijk over samen zijn. Praten over de erge dingen die in de wereld gebeuren, brengt ons vreemd genoeg samen.
Het gaat dus niet over al die erge dingen maar over hoe we ons tot elkaar verhouden. Hoe past die paradox dan binnen je theater? Theater is zowel voor de makers als voor de kijkers toch ook een bezigheidstherapie?
Ja, dat is ook zo, maar je wil het als maker wel zo oprecht en eerlijk mogelijk doen. Helderheid verschaffen. Aandacht geven. Het mooie van theater is dat je mensen uitnodigt. Je organiseert samen met het publiek een ritueel op een bepaald tijdstip in een bepaalde ruimte. Je geeft aan het publiek de mogelijkheid om even te gaan zitten en niks te hoeven. Niks te hoeven doen, niks te hoeven denken, niks te hoeven verwezenlijken. Ik probeer in mijn voorstellingen dat soort zorgvuldig en aandachtig kijken, zien en luisteren voelbaar te maken. In Het blauwe uur is dat heel duidelijk: het publiek zit op straat om naar de zonsondergang te kijken. En vervolgens voeg ik daar scènes en flarden van ontmoetingen aan toe, om die blik wakker te houden weer te vervreemden en een nieuwe blik mogelijk te maken. Ik wil de toeschouwer van zijn eigen kijken bewust maken door dat kijken even op zijn kop te zetten. Dat gebeurde ook in mijn gevangenisproject. Het publiek weet niet meer precies wat realiteit en wat fictie is. Ik gebruik het theater om het kader dat het kijken mogelijk maakt, te tonen.
Met traditionele inzichten over wat theater is, komt het publiek bij jouw voorstellingen niet ver. Hoe kan je de toeschouwers een handje toesteken?
Ik maak geen theater dat een duidelijk verhaal vertelt dat loopt van A naar Z en waarin herkenbare personages optreden die een psychologische ontwikkeling doormaken. Als de zekerheden van het verhaal wegvallen, voelt de toeschouwer zich vaak verloren. Je moet als theatermaker dus nieuwe afspraken maken met je publiek. Je moet hen de spelregels duidelijk maken. Dat is van zeer groot belang. Ik begin daarom heel vaak met de bepaling van de ruimte. Het is een poging om een gemeenschappelijke ruimte voor toeschouwer en speler te creëren. Dat betekent dat je samen opnieuw een afspraak maakt: jij gaat daar zitten en kijken en ik ga hier staan en iets doen. Dat lijkt vanzelfsprekend maar omdat je die afspraak maakt in een andere ruimte en in een andere situatie - 's morgens vroeg, ’s avonds laat, buiten,... - ontstaat er een nieuw verbond. Je schept een nieuw kader met de toeschouwers. Ik denk dat ook Benjamin Verdonck en Wayn Traub op die manier werken. We zoeken plekken buiten het theater op. We hebben het kennelijk nodig om opnieuw de context waarin we werken te bepalen. Dat betekent niet dat we niet meer in het theater willen werken, maar wel dat we af willen van bepaalde vanzelfsprekendheden. Ik merk dat ik tot nu toe veel in situaties gewerkt heb waarin ik steeds opnieuw de situatie en de theatrale afspraken moest bevechten: in de gevangenis, op het strand, in het samenwerken met verstandelijk gehandicapten....
Wat probeer je bij de toeschouwers te bereiken door het kijkkader zichtbaar te maken?
De toeschouwer wordt verantwoordelijk voor zijn kijken. Het gaat om meer dan je kaartje kopen, je jas ophangen en achteruit gaan zitten in het donker. Ik wil de toeschouwer bewust maken van het uur dat hij of zij zit te kijken en te luisteren. Die houding moet zowel mezelf als de toeschouwer beschermen tegen een te mechanische manier van werken en kijken. Als je iedere dag in een donkere studio zonder daglicht zit te repeteren, dan kan het gebeuren dat je in je eigen ideeën opgesloten raakt. Dit citaat van Hans Korteweg zegt goed wat ik bedoel: "Er is een groot verschil tussen kijken en zien. Kijken doe je van een afstand, zien is intiem. Kijken doe je naar iets of iemand. Of je nu naar de televisie kijkt of op je horloge of door een sleutelgat, je blijft een toeschouwer. Als je ziet daarentegen ben je met iets of iemand; het is deel van je bestaan. Je kijkt naar een zonsondergang of je ziet hem. Je kunt naar het licht kijken, maar het is toch iets heel anders als je het ziet. Ieder mens heeft het vermogen om te kijken en te zien, maar veel mensen geven er de voorkeur aan vooral kijkend door het leven te gaan. Dat is niet verwonderlijk, want het is riskant om te zien. Als je echt iets ziet, heeft dat consequenties voor je bestaan, terwijl je kijkend buiten schot blijft."
Is dat een van de redenen waarom je graag met mensen werkt die geen acteeropleiding hebben gehad? Of met gehandicapten? Omdat zich bij hen een aantal mechanismen nog niet hebben vastgezet?
Ja, absoluut. Ook omdat ik hun aanwezigheid op het toneel zo mooi vind. Natuurlijk niet altijd. Je moet zorgvuldig naar je mensen zoeken en heel lang met hen werken. Dat gaat niet altijd zonder moeite. Je hebt ook een heel duidelijk kader nodig, want je moet hen beschermen. Het wordt al heel snel aapjes kijken. Ik heb een voorstelling gemaakt met Jetse Batelaan over zes negers en een eskimo. Zes verstandelijk gehandicapte spelers van Theater Stap waren geschminkt als negers: met blote buiken en blote benen en witte rokjes en zwarte pruiken en rode lippen. Dat was echt extreem. We confronteerden het publiek met hun eigen gedrag, en vervolgens gingen we daar weer tegenin, tegen dat rechthoekige beeld en daarna maak je een heel andere voorstelling. Je begint de voorstelling al lachend, maar na drie minuten ben je uitgelachen.
Hoe sluiten de voorstellingen die je dit seizoen gaat maken aan bij wat je nu vertelt?
Ik ga dit seizoen twee voorstellingen maken: Stillen en Gerucht. Stillen gaat voor mij heel erg over de verhouding van het ene lichaam tot het andere lichaam. Over de afhankelijkheid van het lichaam. 'Stillen' betekent in het Duits 'een kind de borst geven'. Ik vond het mooi dat daar een werkwoord voor bestond. Ik vind het ook een mooi werkwoord omdat het gaat over 'iemand rustig maken'. Het betekent ook 'de honger stillen', in het Duits betekent het eveneens de dorst lessen. En bloed stelpen. Telkens komt het lichaam ter sprake... En natuurlijk zit er de betekenis van stilte in. Van chaos tot rust komen. Het lichaam dat af en toe iets nodig heeft en gestild moet worden. Je hebt de hele praktische behoeftes zoals honger en dorst, maar ook de meer intieme seksuele behoeftes van het vasthouden, het omhelzen, het vrijen, het neuken, het in de ander willen binnendringen, het jezelf verliezen in de ander... Ik zou dat hele scala van ontmoetingen tussen lijven en lichamen naast elkaar willen zetten en als gelijk willen bezien. Honger hebben is eigenlijk hetzelfde als behoefte aan seks hebben. Ik wil al die behoeftes op hetzelfde niveau bekijken en ze ontdoen van noties als romantisch of pornografisch of pervers. Al die kwalificaties doen er even niet toe.
Wordt het een voorstelling zonder tekst?
Ja, waarschijnlijk wel. Ik vertrek liever niet van een tekst. Misschien komt er toch wat tekst bij, niet meer dan enkele zinnen. Ik heb tot nog toe veel voorstellingen gemaakt die juist niet gaan over de liefde of over de relatie van man tot vrouw. Ik wil daar heel graag iets over vertellen. Het sluit aan bij Ik zou mezelf willen weggeven maar ik weet niet aan wie. Een voorstelling die heel erg ging over het verlangen om jezelf te verliezen in een geloof. Met begrip ook voor de extremist, die zichzelf zonder twijfel opoffert voor zijn overtuiging.
Is dat niet een van de grote uitdagingen voor onze democratie, om plots geconfronteerd te worden met iemand die alles wil opgeven voor iets wat hij heilig noemt?
Dat snappen we niet meer. We durven het ook niet meer. Als gevolg van de vrijheid zijn we slaaf geworden van de twijfel.
Maar tegelijk is dat toch een zeer gevaarlijke instelling?
Ja, het is zeer gevaarlijk. Het is ook niet zo dat rechte lijnen goed zijn en vage bibberende potloodlijntjes slecht. Absoluut niet. Ik hoop extreme keuzes te maken zonder star te denken en sterk te zijn in mijn twijfel. Als je verliefd bent, ervaar je het gevaar van de overgave heel duidelijk. Dan denk je "JAAAA..." en dan krijg je weer tien trappen terug. En dan zit je daar weer in je eentje. Hoe ga je om met dat steeds weer samen willen zijn en dan toch weer alleen zijn en die waanzinnige heen- en weerbeweging.
Je had het eerder over verstilling en aandacht. De wereld van de liefde daarentegen is getormenteerd en getraumatiseerd. Liefde is conflict, drama, tragedie....
En toch zou ik het daar over willen hebben vanuit een soort van berusting. Dat het dus niet anders zou moeten zijn. Je hebt die voortdurende beweging, een soort golfbeweging van geborgenheid en alleen zijn, van het vinden van de ander en het weer verliezen van die ander of van jezelf. Ik zou de schoonheid van die beweging willen laten zien. Ik wil er geen oplossing voor formuleren. Die bestaat trouwens niet. Er is alleen maar die beweging. Dat mensen voor eeuwig bij elkaar blijven is naïeve Hollywood-romantiek. Wat ik hier zeg, sluit heel erg aan bij Braakland, een voorstelling die ik heb gemaakt en waarbij ik geïnspireerd werd door de boeken van Coetzee. De voorstelling gaat over vergankelijkheid en over de troost die je in de dood en het sterven kan vinden. Als in een soort natuurdocumentaire bewegen de acteurs zich in de verte op braakliggend land. Ze zijn enorm gewelddadig, maar zonder verzet. De ene acteur slaat de andere. Die valt om, maar er wordt niet op gereageerd. Er is niemand die zich verzet. Er wordt iemand verkracht, maar je weet eigenlijk niet eens of het verkrachten is of gewoon een hond die het doet met een andere hond. Het zijn mensen, ze spelen geen dieren, maar het komt heel dicht in de buurt van de manier waarop dieren met elkaar en met geweld omgaan. Als de leeuw de zebra verscheurt, dan gaat de vogel ook niet roepen "hou op, hou op!". Die vliegt gewoon door, het blad valt van de boom en de dingen gebeuren. In die berusting ligt een enorm grote pijn, want daar zit ook onze angst voor de dood die je plots volledig onder ogen ziet. Maar daar zit ook de troost, want zo is het en zo gebeurt het en zo zal het altijd gebeuren. Ik ben het helemaal met je eens dat de liefde een torment is, en dat die lijven die naar elkaar hunkeren en smachten en elkaar weer verliezen en huilen, waanzinnig veel pijn en chaos veroorzaken. Maar ik zou het toch willen laten zien zonder moraal en zonder schaamte.
Denk je dat het publiek je daarin volgt?
Ik had in Utrecht na de voorstelling een gesprek met een Chinese man die in de war was. Hij vroeg me of dit de manier was waarop ik de wereld zag. Hij vond dat ik een maatschappelijk falen toonde, een onmogelijkheid om de onverschilligheid te overstijgen. Ik probeerde hem uit te leggen dat ik het op een ander niveau zag. Hij mocht natuurlijk zijn eigen mening hebben, maar voor mij was het ook troostrijk en poëtisch, misschien zelfs filosofisch. Hij begreep dat niet en ik zei tegen hem dat het voor mij over sterven ging en de manier waarop we daarmee omgaan. Toen zei hij, "yes but this is not about dying it's about killing". En toen wist ik even niet zo goed wat ik moest antwoorden. Ik heb daar later thuis nog veel over nagedacht. Ik kwam toen tot de vreselijke conclusie dat ik dat eigenlijk hetzelfde vond, sterven en doden.. Het is heel gevaarlijk om dat te zeggen, maar het sterven en het vermoorden is allebei sterven. Als je aan kanker sterft, is dat natuurlijk, maar als je doodgaat omdat iemand je op je hoofd heeft geslagen, vinden we dat niet natuurlijk. Wij willen dat 'killing' eigenlijk niet bestaat. We geloven nog altijd in een wereld waarin dat niet kan gebeuren. Het gebeurt natuurlijk constant, maar we doen alsof het niet zo is. Dat is dus totaal krankzinnig. We moeten komen tot een moment van besef. Als je er werkelijk helder naar kan kijken, dan zie je het ook voor wat het is. En dan pas kan je er mee omgaan. Het gaat eigenlijk over een heel realistische blik. En dan zie je: mensen doden elkaar. Op het moment dat je dat volledig accepteert en daar helder naar kan kijken, dan kan je daar ook mee omgaan. Op het moment dat je alleen maar reageert met "het zou niet mogen" of "het mag niet" of "het is slecht", dan ben je zelf voor je het weet net zo. Als je je verzet, ga je in op het conflict. En je moet er juist omheen stappen.
Kan je deze inzichten en gedachten nog theatraal vormgeven?
Gerucht reageert eigenlijk heel helder en heel direct op dit gesprek. Het gaat over de gedachte die ons dicteert en die voortdurend standpunten wil innemen en kritiek wil leveren, en vaak niet veel meer doet dan vertroebelen. Ik schreef daarover het zinnetje 'pas als het stil is om je heen, kom je erachter hoeveel lawaai gedachten maken'. Je bent een slaaf van het steeds maar denken en problemen creëren en conflicten bouwen. Voor Gerucht bouwen we een kubus, een geluidsdichte ruimte midden op het plein, midden in de werkelijkheid, midden in het lawaai. De kubus zou je kunnen zien als een metafoor voor het hoofd of liever de plek waar de woorden bestaan. Ik heb steeds het beeld dat wanneer je met je plastic boodschappentas vol inkopen uit de winkel komt en je fiets losmaakt, dat wanneer je dus met hele gewone dagelijkse handelingen bezig bent, er tegelijk in je hoofd een soort waanzinnige reis aan de gang is van grote gedachten, twijfels, angsten en dromen. Dat zijn zo verschillende werelden en die komen maar zelden samen. De bedoeling is om de kubus volledig van glas te maken. Er zit een deur in. Je staat buiten met je kaartje. Je komt naar binnen: je bent eigenlijk niet ergens anders, maar toch ook weer wel. We maken de kubus geluidsdicht, maar er kan wel met het geluid van buiten gespeeld worden.
Wordt het een soort van meditatieve ruimte waarin je je kan terugtrekken?
Nee. Het gaat mij meer over de bewustwording van die twee werelden: de dagelijkse wereld van de hondenpoep en de straatstenen, van de heel gewone dingen, én de wereld van de grote gedachten. Soms vallen die samen en dan vallen ze weer uit elkaar. Het wordt wel degelijk een voorstelling, ja. Ik denk dat de voorstelling een uur gaat duren. Er doen zes acteurs aan mee, die zowel binnen als buiten de kubus zullen zijn. Ik zou het heel erg fijn vinden om een ruimte te vinden, een plein, een plek in de stad waar het leven gewoon door kan gaan. Ik denk ook dat de acteurs heel duidelijk acteurs moeten zijn. Het gaat mij niet zozeer om het spelletje van 'wat is echt?'. Ik wil heel duidelijk laten zien wat ik aan de werkelijkheid toevoeg.
(Toneelhuis Antwerpen)