11/05/2009

De wereld tegemoet

 


In een gesprek met Erwin Jans licht Lotte van den Berg toe wat de artistieke impact is van de diverse buitenlandse locaties die ze uitzoekt voor een voorstelling als Braakland. Het vreemde ontmoeten en op reis gaan zullen immers belangrijke onderdelen worden van de nieuwe artistieke werking die ze opzet met haar nieuwe gezelschap in Dordrecht, OMSK.


Begin 2009 startte Lotte van den Berg in Dordrecht haar eigen gezelschap op onder de naam OMSK. Op reis gaan zal een belangrijk onderdeel worden van de artistieke werking. Lotte van den Berg vertelt over de voorstelling Braakland die op vele plekken in binnen- en buitenland stond. Wat zijn de uitdagingen van het reizen? Hoe verloopt de interactie met het publiek? Hoe ga je om met verschillen en geschiedenissen?


Hoe kies je de locaties uit waar je gaat spelen?

Ik ga eerst naar de plekken om een geschikte locatie voor de voorstelling te zoeken. Dat is in het geval van Braakland een bijzondere manier om met een land of een streek kennis te maken. Ik bezocht niet het stadscentrum, de monumenten of de toeristische attracties, maar de vuilnisbelten, de braaklanden, plekken waar vluchtelingen zitten aan de rand van de stad… Dat was bijvoorbeeld het geval in Belgrado. Het Italiaanse Terni is een prachtige streek, maar toch zat ik vooral rond te lopen op de afvalverbranding langs de autosnelweg. Op zoek naar de vergeten plekken. Zo omschrijven we voor de organisatoren wat we zoeken: vergeten land, verlaten gebieden... In Berlijn is er veel braakland in het midden van de stad, omwille van de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Men probeert die plekken zoveel mogelijk te bebouwen, maar er zijn er nog veel en de inwoners van Berlijn kennen die ook allemaal. In de zomer wordt er wel eens gepicknickt. Voor mij waren dat net niet de juiste plekken voor Braakland. Ze zijn te geïntegreerd in het maatschappelijk leven. Blijkbaar betekent ‘braakland’ in Berlijn iets anders dan in Utrecht.

 

Kreeg je suggesties van de programmatoren?

Omdat de organisatoren de voorstelling kenden, hadden zij steeds een aantal mogelijke plekken in het achterhoofd die ze mij toonden. Ze zochten vaak naar plaatsen die leken op de plek waar ze de voorstelling hadden gezien. Maar dat waren voor mij niet altijd de juiste plekken. Vaak moest ik toch opnieuw beginnen. Je hebt enkele dagen nodig om voeling te krijgen met het land. Dat is het mooie aan de voorstelling: ze dwingt je om heel concreet contact te zoeken met het land. Toen ik in Belgrado landde, had ik vanuit het vliegtuig de indruk dat er heel veel braakland was. Toch was het niet makkelijk om de juiste strook te vinden: veel van het braakland werd immers door zwervers en vluchtelingen bewoond. Dat was heel confronterend: je komt op plekken terecht waar de voorstelling eigenlijk al aan de gang is. Ik zag daar mensen rondlopen, van wie ik dacht: dat is een ‘braaklander’. Dat is de term die we gaven aan de figuren uit het stuk: iemand die wezenloos en zonder hoop over een groot stuk veld loopt. Je vraagt je dan af of je de voorstelling wel moet spelen. In Belgrado hebben we besloten om de voorstelling te spelen op een stuk opgespoten bouwgrond zonder veel geschiedenis. Het was een vrij cleane omgeving. De programmator vond dat een goede neutrale plek omdat veel plekken in Belgrado met de oorlog geassocieerd worden. Nu konden de toeschouwers het ook met andere dingen associëren.

 

Wat gebeurt er als jullie in groep toekomen?

Als we met de acteurs toekomen, dan hebben we meestal nog drie of vier dagen om alles klaar te maken en op te bouwen: het licht, de tribunes,… Er wordt nogal veel gewerkt op het land zelf: bomen worden weggehaald, brandnetels worden kortgeknipt. Ik doe dat samen met de acteurs. De acteurs leren daardoor het speelveld heel goed kennen. Een groot deel van de voorstelling gaat over hoe je loopt op het veld. Er zijn enkele acties en daartussen lange leegbloedende bewegingen van iemand die weggaat of naar iemand toeloopt. Op ieder land loop je anders. Je loopt anders in mul zand dan op een plek met veel struiken en stenen. In Berlijn had het geregend en hebben we in plassen moeten spelen. Je moet het ritme van de omgeving leren begrijpen om er in mee te kunnen gaan. In de voorstelling moet het eruit zien alsof die mensen er al heel lang zijn. Het contact met de omgeving gebeurt voor een deel rationeel: je probeert te weten te komen wat er is gebeurd op die plekken. Je krijgt ook heel persoonlijke en emotionele verhalen. Een van de technici in Belgrado vertelde over de bombardementen en hoe dat eigenlijk de gelukkigste tijd van zijn leven was! Iemand anders wilde niets meer horen over de oorlog en was blij dat de voorstelling alles open liet en dat je ze op verschillende manieren kon interpreteren, voorbij de gemakkelijke politieke clichés.

 

Welke zijn de grootste contrasten die je hebt megeemaakt?

In Utrecht, tijdens de International European Theatre Meeting (IETM), hebben we in de maand november in de sneeuw gespeeld, op een industrieterrein in de buurt van een fabriek met een hoge schoorsteen. In São Paulo speelden we boven op een berg in de buurt van een boerderij, in een weiland met heel veel koeien. Het publiek keek een beetje bergop en had dus eigenlijk geen horizon. Het land verdween in de lucht. Het was daar héél erg warm. In Utrecht kwam heel wat kunstminnend volk kijken, mensen die vaak en veel naar het theater gaan. In Brazilië was dat heel anders. We hadden daar veel toeschouwers, driehonderd op een grote tribune. Heel jonge vrolijke mensen – met dreadlocks, piercings, korte rokjes,… – kwamen de berg oplopen. We wisten absoluut niet hoe ze zouden reageren want de voorstelling leek precies het tegendeel te zijn van wat deze jonge mensen representeerden. De Braziliaanse cultuur is een vertelcultuur, een genereuze cultuur die deelt in muziek, kleuren, grootse gebaren. Een cultuur die zich met heel veel energie en veel bravoure weert tegen de moeilijke dingen van het leven. Braakland is daarentegen zo leeg en zo zonder kleur. Er zit geen woord in. De tijd is uitgerekt. We hadden afgesproken dat de acteurs zouden doorspelen, ook indien het publiek zou weglopen. De toeschouwers zijn uiteindelijk allemaal blijven zitten. Ze zaten gefascineerd te kijken. Soms werd er een beetje gelachen. Je zag mensen ook heel erg stil worden. Ik denk dat ze gefascineerd waren door iets wat ze nog nooit gezien hadden, wat ze nog nooit zo verbeeld hadden gezien. Ze zagen op een bepaalde manier het tegendeel van zichzelf. Ze traden dat met een open vizier, met een basisnieuwsgierigheid tegemoet. Tijdens een houseparty die avond kwamen een aantal jonge meiden naar me toe en die vonden de voorstelling te gek. Voor ons was het heel leerrijk om te zien dat de voorstelling ook in een heel andere context werkt en verbaast.

 

Hoe is de voorstelling in het buitenland gepercipieerd?

Er is over het algemeen goed op gereageerd. In Frankrijk hebben we het in Chalon en in Aurillac gespeeld, een belangrijk locatietheaterfestival. Daar werden we expliciet geprogrammeerd als een voorstelling die tegen de gezellige straattheatersfeer inging. In het Franse straattheatercircuit heerst een erg positieve energie: je moet positief over de politiek spreken, je moet mensen stimuleren. Braakland doet natuurlijk iets totaal anders. Deze voorstelling brengt ook iets teweeg maar niet door de mensen op te vrolijken. Er is veel over de voorstelling gediscussieerd: er waren absolute voor- en absolute tegenstanders. Dat was in Chalon het geval en dat was ook de reden waarom we een jaar later in Aurillac zijn uitgenodigd. De voorstelling fungeerde als een soort baken. Ook in de pers. In Chalon was het heel erg druk. Vier dagen feest: mensen die in tenten slapen, overal muziek, alles gratis,… Wij hebben toen geweigerd om gratis te spelen. We wilden dat mensen expliciet kozen voor onze voorstelling. Toen we de eerste avond in Chalon speelden was het duidelijk dat het publiek niet goed ingelicht was. Ze werden er met bussen naartoe gebracht. Ze moesten in de zon wachten. Tijdens de voorstelling zijn toen veel mensen weggegaan. De volgende dag heb ik de toeschouwers persoonlijk begeleid en hen een flyer gegeven. Toen liep er niemand meer weg. Het is belangrijk dat je weet waar je naartoe gaat. Zeker in een zomerfestivalcircuit. In die context zijn toeschouwers toch meer uit op amusement. Als je zoals ik kiest om niet aan bepaalde verwachtingen te voldoen, kom je soms in moeilijkheden. Je moet dan wat meer uitleg geven om misverstanden te vermijden. Op een gegeven moment zijn we begonnen met het schenken van wijn na de voorstelling om de mensen de kans te geven nog wat na te praten of gewoon te blijven hangen. Dat contact is ook goed voor de acteurs, want zij spelen zo ver van het publiek af. Ze kunnen niet eens zien of er mensen weggaan. Dat vertelde ik hen achteraf. Die drink werd een deel van de voorstelling. Nog even terug naar de keuze van de locatie.

 

Lukt het altijd om de juiste locatie te vinden?

Ik maak op iedere plek waar we gaan spelen een top drie van de locaties: mijn drie voorkeurslocaties. Het gebeurt vaak dat we voor bepaalde plekken geen toestemming krijgen, vaak zijn dat helaas de mooiste plekken. In Terni was er een heel mooi dal. Er waren nieuwe bergen aangelegd met de as van afvalverbranding. Dat was een waanzinnig fascinerend grijs grauw landschap! Maar we hebben geen toestemming gekregen. Misschien was het er onveilig. Ik heb vele prachtige half ingestorte fabrieksruïnes gezien. In Berlijn zag ik een half begroeide, half betonnen vlakte met scheefgezakte lantaarnpalen. Ook daar hebben we geen toestemming voor gekregen. Wanneer het om particuliere eigenaars gaat, is het nog veel moeilijker om toestemming te krijgen. Een theater heeft meestal contacten met gemeentelijke instellingen en niet met particulieren. In Antwerpen speelden we op een terrein van de NMBS. Dat hebben we uiteindelijk moeten betalen. Je bent erg afhankelijk van de goodwill van mensen. Braakland was aanvankelijk gemaakt om op vervallen industrieterreinen te staan. Toen hebben we het op Oerol gespeeld op het strand met de zee in de rug. De acteurs kwamen van een kilometer ver aanlopen. Ze waren niet groter dan een stipje. Je miste de industriële ruïnes helemaal niet. In Oostende vond ik dat we te dicht op de gebouwen stonden. De horizon ontbrak daardoor. Het werd me te anekdotisch. Het werd te veel een verhaal. Het is goed als je in de verte een hint hebt van een gebouw, maar ook niet meer. In Terni speelden we in een dal met in de verte een fabriek. Dat was een geslaagde mix van natuur en beschaving. Het is mooi als er geen kader is. Iemand in Brazilië bleef maar zeggen: het houdt niet op! Alles wat hij zag behoorde tot de voorstelling. De voorstelling heeft geen randen en dus ook geen focus. Alleen de tribune staat er: daar moeten de toeschouwers dus gaan zitten. Maar voor de rest is er geen afbakening. De voorstelling gaat zover als de toeschouwers kunnen kijken. Te veel gebouwen maken een kader en maken de voorstelling dus kleiner, letterlijk en figuurlijk.

 

Moet je aan veel voorwaarden voldoen om op locatie te spelen?

Je moet aan een minimum aantal veiligheidsvoorschriften voldoen. Met Gerucht was dat heel moeilijk. Met die voorstelling zit je midden in de stad, in de openbare ruimte die je verstoort. Met Braakland hebben we overal wel een plek gevonden, met Gerucht niet. In Straatsburg hebben we veel problemen gehad. Het was in Parijs al moeilijk. We stonden met Gerucht op het terrein van Théâtre de la Villette en zelfs daar hadden we last met vergunningen. Twee weken voordat we in Straatsburg zouden spelen, is de voorstelling afgezegd. De burgemeester wilde geen toestemming geven om de voorstelling in de stad te laten spelen. De beslissing wordt genomen op basis van de technische fiches van de voorstelling. Maar eigenlijk kennen de overheden de constructie niet. Wat we gebouwd hebben voor Gerucht lijkt niet op een tent of op een kermisattractie. Het is iets nieuws. Het dossier was niet in het Frans, maar in het Engels geschreven. Wie weet of dat ook een rol heeft gespeeld. Ook in Stockton in Engeland is de voorstelling niet doorgegaan. De organisatoren waren zo zeker van de locatie dat ze zelfs geen tweede of derde optie wilden onderzoeken. Toch kon het plots niet meer. Ik heb het vermoeden dat er een financieel probleem was. Dat zijn natuurlijk tegenvallers.

 

Welke zijn de voornaamste obstakels?

Het gaat meestal om veiligheid en om juridische kwesties. De organisatoren hebben schrik dat ze door een toeschouwer aangeklaagd zullen worden als er iets fout gaat. Bij Gerucht gebruiken we een open tribune en dat mag niet in Frankrijk, want dan kan je baby eronder vallen. Een ander probleem was dat de constructie van Gerucht niet op de grond staat maar op een klein verhoog. De overheden hadden schrik dat er molotov-cocktails onder gegooid zouden worden! Ze vonden dat we dat we de constructie dicht moesten maken. In Parijs deden ze daarenboven ook heel moeilijk over de schuine helling voor rolstoelgebruikers. Die moest een bepaalde graad hebben omdat volgens de Franse wetgeving de rolstoelgebruikers op eigen kracht de helling op moeten kunnen. Als een gehandicapte om hulp moet vragen, wordt dat beschouwd als discriminatie. Je mag eigenlijk je eigen oma niet meer ondersteunen als ze een helling op moet. Dat gaat wel erg ver. Theatermakers hebben op een bepaald ogenblik het theater verlaten en zijn de straat op getrokken om zich daar wat vrijer te voelen, minder gebonden aan regels. Nu is het moeilijker geworden om iets in de openbare ruimte te doen dan in het theater. Ik vind dat shockerend. Ik heb het gevoel dat mensen steeds minder verantwoordelijkheid willen of durven nemen. Je kan mensen ook niet meer van iets overtuigen. Ze kunnen zich voortdurend verschuilen achter regels en wetten. Redelijke argumenten hebben geen zin meer. Iedereen is het met je eens, maar toch kan iets niet omdat het niet mag. Iedereen schijnt te vergeten dat het gewoon regels zijn. Iedereen doet alsof het zo ‘is’: het wordt een waarheid. In Parijs zijn de vuilnisbakken nu groene doorzichtige plastic zakken. De redenering is dat je de springtuigen of de bommen snel kan zien! Maar je kan een springtuig toch ook in een kartonnen doosje doen!

 

Hoe integreer je je reiservaringen in nieuwe voorstellingen?

Braakland verrast ons steeds opnieuw, precies omdat we de voorstelling op zoveel verschillende plekken hebben gespeeld. Daardoor krijgt ze voortdurend andere betekenissen. Je moet je steeds opnieuw tot het ritme en tot het verhaal van de voorstelling verhouden. Er is veel minder routine dan bij een ‘gewone’ voorstelling. Voor de acteurs is het iedere keer een uitdaging, ook al spelen zij geen ‘rollen’ of ‘personages’ in de traditionele betekenis van het woord. Wat de acteurs uitdiepen is niet zozeer hun rol als wel hun verhouding tot het steeds wisselende landschap. Ik heb met Braakland het gevoel dat we samen een schilderij in de tijd maken. Het is een panorama waarin verschillende lijnen getrokken worden en punten worden aangeduid. Dat moet allemaal heel precies zijn. Het gebeurt dat de acteurs de voorstelling slecht spelen: als ze te gehaast zijn of niet voldoende open. Het zijn negen rollen, maar ik heb een pool van vijftien acteurs. Dus er kan afgewisseld worden, waardoor het fris blijft. De ervaringen die we opdoen en de reacties die we krijgen, stimuleren om na te denken over nieuwe concepten en nieuwe reizen. In Brazilië werd ik heel erg geraakt door de manier waarop mensen reageren, niet alleen op onze voorstelling, maar in het algemeen. Ik was verbaasd over het feit op hoeveel vragen in eerste instantie met ja! werd geantwoord. Brazilianen storten zich heel erg in iets. In tweede of derde instantie ontdekken ze dan vaak dat dat misschien toch niet zo een goed idee was. Maar in eerste instantie kan alles en willen ze alles. Er is een volledige inzet. Ik vond dat heerlijk, maar ook erg confronterend met mijn afwachtende ‘eventueel’-houding tegenover het leven. In Nederland heerst een soort van twijfelcultuur en dat wordt alleen maar erger. Ik bedacht me dat je jezelf vaker in dat soort confronterende situaties moet brengen. Je moet jezelf wat in de war brengen om op nieuwe ideeën te komen. Je zou met een groep kunstenaars lange reizen van vijf of zes maanden moeten kunnen maken om voldoende tijd te hebben om met die verwondering voorstellingen te maken. Als je met een bestaande voorstelling op tournee bent, dan kan je wel nieuwe dingen ervaren, maar je kan die niet onmiddellijk creatief omzetten. In bepaalde uitwisselingsprojecten wordt er vaak vooraf al zoveel bedacht dat er niet veel meer kan gebeuren. Teveel afspraken en plannen blokkeren de mogelijkheid tot een echte ontmoeting. Dit nadenken heeft een belangrijke rol gespeeld in de plannen voor mijn nieuwe gezelschap in Dordrecht. Ik wil nu een stap verder gaan en een voorstelling maken die jarenlang speelt en voortdurend verandert zonder de uitgangspunten te verraden. Ik wil me meer vragen stellen over hoe omgeving en voorstelling interageren.

 

Is OMSK een nieuwe fase in je werk of alleen een nieuwe structuur?

Ik heb het gevoel dat ik tot nog toe heel erg vanuit mezelf ben vertrokken om voorstellingen te maken. Ik vertrok van een innerlijke wereld en zocht dan naar mensen en plekken om daarover te vertellen. Na Winterverblijf wilde ik een andere beweging maken. In plaats van diep in mezelf te kijken, wil ik nu om me heen kijken, zien wat er daar gebeurt en daarop reageren. Vanuit het vertrouwen dat die reactie ook veel over mezelf zegt. Ik word gedreven door het verlangen naar een andere vorm van ontmoeting en confrontatie met plaatsen en mensen die ik niet ken. Dat is vrij documentair. Ik wil nagaan hoe je een ontmoeting aangaat, hoe je een traject opstart. Vanuit een vooropgezet plan of vanuit openheid en vertrouwen. Ik wil mezelf en de anderen daarin nog veel meer uitdagen dan nu het geval is. Reizen en op reis gaan zal daarbij een cruciale rol spelen. Niet vanuit de missionarisgedachte om iets te geven, maar vooral vanuit de behoefte om iets te krijgen.

 

Wat betekent dat concreet voor de werking?

Tijdens het eerste jaar gaan we in Dordrecht blijven: we slaan ankers in de grond en creëren een plek om naar terug te komen. Ik wil de stad leren kennen. Je kan in Dordrecht even goed om je heen kijken als in Kinshasa. Als je ergens maar lang genoeg naar kijkt, dan gaat het je vanzelf verbazen. Tijdens het tweede seizoen maken we in groep een lange reis en komen dan terug om over die reis te praten, over wat we gedaan en gemaakt hebben. Waarheen ligt nog niet vast. Misschien Afrika. Ik zou willen dat de bewegingen die we de volgende jaren gaan maken elkaar kruisen en beïnvloeden, dat de ervaringen uit Dordrecht een effect hebben op wat we op reis maken en omgekeerd. Een soort van kettingreactie of een perpetuum mobile. Ik wil de dingen die we meemaken serieus nemen en zien waar ons dat brengt.

Het gaat mij minder om het maken van een voorstelling en dan nog een voorstelling en dan nog een, maar om het zoeken naar een vorm om je impressies met anderen te delen. Dat moet niet steeds leiden tot een voorstelling van anderhalf uur. Ik wil vertrekken vanuit een carte blancheidee. Wanneer we terugkomen, zullen we iets presenteren, maar we willen ons niet precies vastleggen op wat dat dan zal zijn. Misschien zijn het tien kleine voorstellingen of één lange van twaalf uur. Het proces zal dat moeten bepalen. Ik vertrek niet vanuit een dramatisch gegeven, maar meer vanuit de vraag: hoe groot is de lijst? Ga ik met potlood tekenen of met olieverf ? Er zijn schilders die altijd met olieverf schilderen, maar er zijn ook schilders die eerst een onderwerp zoeken en zich dan de vraag stellen hoe dat te schilderen.

 

Geef je het medium theater op?

Neen, maar ik zou het fijn vinden indien ik ook andere dingen kon maken. Ik heb zin om te schrijven, foto’s te maken. Ik ga natuurlijk theater blijven maken, maar het nadenken over andere media vind ik inspirerend. Ik wil niet dat theater een vanzelfsprekendheid wordt: ik ben theatermaker dus ik maak theater. Ik wil er bewust voor kiezen. Een dergelijke open artistieke structuur uitbouwen is natuurlijk de grootste uitdaging. Ik heb niet alleen acteurs gevraagd, maar acteurs die ook graag schrijven, tekenen of fotograferen, een technicus die ook filmt,… Eigenlijk allemaal mensen die op zoek zijn naar hun taal. Het is een groep eigenwijze mensen. Afwachten hoe dat werkt. Het gaat me wezenlijk om de vraag: waarom voel ik de behoefte om me te laten inspireren door de levende omgeving waarin ik werk? Door alle abstractie en virtualiteit die onze samenleving kenmerkt, hebben mensen weer een grote behoefte aan het concreet aanraken, aan het met de voeten op de grond staan. Er wordt zoveel gedacht en gesproken, maar kan alles de toets doorstaan? Er worden zoveel uitspraken gedaan. Ik heb heel erg de behoefte om ze te toetsen. Om niet te vertrekken van wat ikzelf beweer, maar van wat ik om me heen zie. Misschien is dat uiteindelijk onmogelijk, maar de behoefte is er wel. Er is heel veel wat ik niet weet. Er is veel hoogmoed in ons denken en ons kijken. Ik heb zin om veel te ontdekken.

 

Opgetekend door Erwin Jans

(Toneelhuis Antwerpen)